Handhavend optreden kan onevenredig zijn

In deze uitspraak (ABRvS 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:34) oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘Afdeling’) dat moet worden afgezien van handhavend optreden, omdat het handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Dit komt in de praktijk heel weinig voor. Om die reden is het interessant om deze uitspraak te bespreken.


Beginselplicht tot handhaving
Indien sprake is van een overtreding, dan dient het bestuursorgaan daartegen in beginsel op te treden. Wordt een besluit tot toepassing
van bestuursdwang of een besluit waarbij een last onder dwangsom is opgelegd aangevochten, dan luidt sedert medio 2004 een standaardoverweging: gelet op het algemeen belang dat is gediend met de handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts in bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Handhavend optreden onevenredig
In handhavingsprocedures wordt veelvuldig gesteld dat handhavend optreden onevenredig is. Een geslaagd beroep op deze uitzondering op de beginselplicht tot handhaving doet zich zelden voor. De in de rechtspraak aangenomen gevallen waarin wordt geconcludeerd dat handhaving onevenredig is, betreffen gevallen waarin een overtreding een (te) incidenteel karakter had, het om overtredingen van geringe ernst ging en/of belangen van derden niet of nauwelijks werden geschaad. Ter illustratie wijs ik op ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1288 inzake De Ringsloot.

Meer informatie over bovenstaand artikel is te vinden op Binnenlands Bestuur