Wie is mijn opdrachtgever? Een blog van ons lid Harry Groenenboom.

(reeds op 21 juli jl. verschenen op zijn website)
Wie is mijn opdrachtgever? Is deze bijvoorbeeld een huurder van het pand waarin gewerkt moet worden? Een belangrijke vraag, zo blijkt uit het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 15 juni.

De feiten
Loodgietersbedrijf Jansen plaatst in opdracht van de huurder een nieuwe CV-ketel in een bedrijfspand. Deze huurder betaalt de factuur van € 7.199,50 inclusief BTW niet. Op 15 mei 2018 spreekt de rechtbank het faillissement van de huurder uit.
Jansen doet tegenover de faillissementscurator van de huurder een beroep op een gemaakt eigendomsvoorbehoud op de CV-ketel. De curator honoreert dat beroep en erkent dat de CV-ketel eigendom van Jansen is.
Vervolgens eist Jansen van de eigenaren van het bedrijfspand dat zij meewerken aan de verwijdering van de CV-ketel. Dit leidt tot een discussie waarin de eigenaren stellen dat door natrekking en zaaksvorming de CV-ketel onderdeel is van het bedrijfspand.
Jansen begint een procedure bij de kantonrechter. Op grond van ongerechtvaardigde verrijking dan wel onrechtmatige daad eist Jansen dat de eigenaren € 7.199,50 voor de CV-ketel plus € 734,98 aan buitengerechtelijke incassokosten betalen. De kantonrechter wijst de vorderingen af. Van belang hierbij is dat de eigenaren niet wisten dat de CV-ketel vervangen werd. Uit niets blijkt verder dat het nodig was om de bestaande CV-ketel te vervangen. En Jansen nam zelf het risico dat de factuur niet betaald zou worden door geen voorschot te vragen. Bovendien zijn de eigenaren een ‘derde’ in de contractuele verhouding tussen de huurder en Jansen. Door de factuur niet te betalen handelen zij dus niet onrechtmatig.
Jansen gaat vervolgens in hoger beroep bij het hof Arnhem-Leeuwarden.

Oordeel hof
Het hof is het met de kantonrechter eens dat de eigenaren ‘derden’ zijn tegenover Jansen. Zij maakten geen afspraak over het plaatsen van de CV-ketel.
Verder oordeelt het hof dat het niet relevant is of een eigenaar wist dat de CV-ketel vervangen werd. Want daardoor wordt een eigenaar nog niet een contractspartij van Jansen. En dus krijgt een eigenaar op die manier ook niet een betalingsverplichting jegens Jansen voor het plaatsen van een CV-ketel.
Ook het argument van Jansen dat de eigenaren zich niet verzet hebben tegen het plaatsen van de CV-ketel veegt het hof van tafel. Dat het plaatsen van de CV-ketel voordeel oplevert voor de eigenaren is volgens het hof inherent aan de eigendom van het pand. Het huurrecht kent daarom in artikel 7:216 Burgerlijk Wetboek (BW) het zogenaamde ‘wegbreekrecht’. Dat de eigenaren misschien zijn ‘verrijkt’ door het plaatsen van de CV-ketel is een gevolg van het feit dat de huurder geen gebruik maakte of kon maken van het wegbreekrecht. En ook geen aanspraak maakte op vergoeding van de achtergelaten verbeteringen. Van ‘ongerechtvaardigde verrijking’, zoals Jansen stelt, is daarom naar het oordeel van het hof geen sprake.
Bovendien oordeelt het hof dat de eventuele verrijking van de eigenaren niet ten koste gaat van Jansen, maar van de huurder. Want de huurder is degene die investeerde in de CV-ketel. Er is onvoldoende causaal verband tussen de verrijking van de eigenaren en de verarming van Jansen.
Overigens gaven de eigenaren Jansen gelegenheid om de geplaatste CV-ketel te verwijderen en maakte Jansen daar geen gebruik van.
De eigenaren zijn ook niet aansprakelijk voor de kosten van de ketel op grond van onrechtmatige daad. Het hof oordeelt dat de feiten niet uitwijzen dat sprake is van een onrechtmatige daad van de eigenaren tegenover Jansen. Verder waren de eigenaren niet verplicht om de CV-ketel zelf uit het pand te verwijderen, zoals Jansen betoogt.
Het hof laat de uitspraak van de kantonrechter in stand en veroordeelt Jansen tot betaling van de proceskosten.

De les
Uit dit arrest zijn in elk geval twee lessen te trekken.
De eerste les is dat het de moeite loont om als opdrachtnemer stil te staan bij de vraag: wie is mijn contractspartij? Wanneer Jansen zich van tevoren rekenschap had gegeven van het feit dat de opdrachtgever een huurder is, had men wellicht de zaken anders geregeld. In elk geval had men dan beseft dat de CV-ketel eigendom wordt van de eigenaren van het pand en niet van de huurder. Om dan financieel ‘grip’ op de zaak te houden, had men bijvoorbeeld vooruitbetaling van het totaalbedrag van de overeenkomst of minimaal een aanzienlijk deel daarvan kunnen eisen. Op die manier had men de schade kunnen voorkomen of beperken.
En dat is dan ook meteen de tweede les: zeker bij grotere bedragen is het verstandig om een voorschot te vragen. Zodat men ook bij faillissement van de opdrachtgever toch in elk geval een deel van de met de opdracht gemoeide omzet realiseert.